Blog verhuist weer!

Ik heb mijn blog toch weer verhuisd, naar het oude vertrouwde blogger.com. Waarom? Om de eenvoudige reden dat die (Google!)-pagina veel zicht- en vindbaarder bleek dan deze. En ik wil toch wel graag gelezen worden… ;-)

Dus: wie mijn stukjes wil lezen, moet voortaan weer naar sanderpeters.blogspot.com. Veel plezier!

Sander Peters

 

Over het AD en keiharde onderzoeksjournalistiek

*Ringtone met tune van Radio Tour de France*

‘Hallo, met Mike.’

‘Ha Mike, je spreekt met Kuifje van het Algemeen Dagblad.’

‘Hé die Kuifje, hoe gaat ‘ie? Alles goed met jou, het vrouwtje en dat blaadje van je?’

‘Ja hoor, mag niet klagen. Al die wilde maffiaverhalen over Lance en Tyler en doping enzo, dat scoort lekker. Hoop nieuwe lezertjes erbij.’

(…)

‘Nu we het er toch over hebben, Mike, ehm, ik wilde je eigenlijk iets vragen. Kijk, je zult het wel onzin vinden en zo, en ik weet, we hebben het er al vaak genoeg over gehad, bijvoorbeeld toen in Pau, op je hotelkamer, of in Luik, aan de finish toen je tweede werd achter VDB, of was het achter Bettini of achter Bartoli of achter Rebellin, haha, sorry inkoppertje, maar toch, onze lezers willen het weten. Dus vraag ik het je, en je weet joh, we kunnen het nooit bewijzen, niemand kan dat, kijk maar naar Lance, het is jouw woord tegen het hunne, dus we kunnen alleen maar hopen dat je eerlijk antwoordt, maar van de andere kant: niemand dwingt je. Maar ik denk altijd maar: nooit gevraagd is altijd nee, want nee heb je en ja kun je krijgen, toch, Mike?’

(…)

‘Dus tja, nou ja, komt-ie dan, ik vraag het je toch maar gewoon op de man af, direct en eerlijk: heb jij ooit ergens in je carrière, toevallig of per ongeluk, of gewoon een keer uit nieuwsgierigheid of zo, of omdat je werd gedwongen door die gekke Italianen of Spanjaarden op hun brommertjes die iedereen eruit reden, of gewoon omdat de prestaties even wat uitbleven en je een nieuw contract wilde, nou ja, uhm, iets gebruikt? Middeltjes dus, die op de lijst stonden. Ik noem het bewust geen doping, maar gewoon iets dat herstelbevorderend werkt?’

(…)

‘Ik bedoel, ik begrijp heel goed, Mike, dat als je over drie of vier cols moet, met 35 graden,  en dat dag in dag uit, dat je dan ’s avonds wel eens effe iets neemt om je wat beter te voelen of zo. Moeten we niet te moeilijk over doen, ik schrijf mijn stukjes ook niet op water en brood alleen, haha. Zonder bakkie koffie of een peuk zou ik nog steeds stukkies tikken voor het Barendrechtsch Weekblad.  Bij wijze van spreken dan he, want ik weet ook wel dat je van een werkpaard geen renpaard kunt maken, maar ja, die verhalen he, over pilletjes en spuiten enzo, dat vreten de mensen als koek.’

(…)

‘Weet je wat het is, jongen, ik snap dat je het ongemakkelijk vindt. Ik schrijf gewoon op dat je deze vraag onzin vindt. Ik zal het goed verwoorden hoor, maar ik zal duidelijk maken dat je ervan baalt dat mensen je niet meer geloven. Begrijp me goed, Mike, ik geloof je. En ik begrijp je. Ik schilder je niet af als crimineel. Maar ja, de mensen hè, die willen zondebokken. Die willen spannende verhalen. En bovenal willen ze de waarheid horen, alsof er zoiets bestaat als De Waarheid. Ik weet het, dat is naïef, dom geleuter van buitenstaanders, maar toch: nu kunnen we in elk geval laten zien dat we het gevraagd hebben. Dat ze ons pennenlikkers niet gaan verwijten dat we het allemaal maar hebben laten gebeuren, zonder kritische vragen te stellen. Komt dus helemaal goed, bedankt voor je tijd, je begrip en je uitleg. Succes verder met je nieuwe carrière en die blonde stoot van je. Later!’

‘Jij ook bedankt, Kuifje, ik spreek je.’

‘Dag Mike!’

 

De plukjes van Ronald Waterreus

Ik ben voetbalmoe. Zelden zit ik nog een wedstrijd uit. Het interesseert me niet meer wie kampioen wordt en wie de nacompetitie overleeft. Om de beschamende vertoning van onze oranje jongens deze zomer moest ik glimlachen.

Vroeger hadden spelers tenminste nog rare kapsels waar je op kon letten als je er geen zak aan vond. Ik noem een Pierre Littbarski, een Michel Boerebach en een Roberto Baggio.

En nu? Niks van dat alles; voetballers zijn vermodieusd. Dacht ik.

Zondag zag ik Ronald Waterreus bij Studio Voetbal.

Ronalds haar maakte mijn dag, mijn week, mijn jaar goed. Dwars tegen de heersende trends in houdt deze Limburgse holenmens stug vast aan zijn jaren ’90-coupe. Goed, de nekspoilers zijn er al een poosje af.

Doodzonde.

Maar de plukjes die zondagavond op Ronalds voorhoofd gedrapeerd lagen, die waren fan-tas-tisch.

De volle 45 minuten lang bleef ik me verlekkeren aan Ronalds ‘ponnie’. Welke zichzelf respecterende kapper knipt zoiets? Of zou mevrouw Waterreus zelf…?

Fascinerend.

In elk geval pleit ik voor een onmiddellijke terugkeer op de velden van ‘Reus’. Dan zitten ik en mijn-bord-op-schoot er weer klaar voor, zondags om 19 uur.

De pesterige jochies uit Dortmund

Ooit zag ik een documentaire waarin Marco van Basten vergeleken werd met een balletdanser. Onzin natuurlijk. Voetbal is muziek.

Dus kijk ik altijd zonder geluid.

(Bijkomend voordeel: je mist de woordgrapjes van Frank Snoeks).

Je moet er voor open staan. En ja, het duurt even – ook bij mij. Maar echt: na een minuut of vijf is meestal glashelder waarnaar je zit te luisteren. Zo ook afgelopen woensdag. Ajax-Dortmund. De bal ging van Alderweireld naar Blind. Van Blind naar Enoh. Van Enoh naar Alderweireld. Van Alderweireld naar Van Rhijn. Van Van Rhijn naar Eriksen. Van Eriksen naar Alderweireld.

Enzovoort.

Prachtige balbezitstatistieken leverde het op.

Ik zag het aan en besefte plots: Ajax speelt Eric Satie. De Gymnopédies of Gnossiennes, het maakt niet uit. Melodieus en verzorgd, dat zeker, maar zo vre-se-lijk slaapverwekkend. Doelloos gepingel.

Nee, dan Dortmund. Misschien komt het doordat ik in een bepaalde levensfase zit, maar ik wist ineens met grote zekerheid: de gelbschwarze jochies – pestkopjes Marco en Mario voorop – zongen 90 minuten lang, steeds weer opnieuw, een kinderliedje. ‘De krokodil ligt in het water’.*

Hap. Au! Bijt-ie in je bil.

Dodelijk effectief. Zoals voetbal bedoeld is.

*Voor wie het niet direct paraat heeft, hier de volledige songtekst: ‘De krokodil ligt in het water. De krokodil ligt helemaal stil. De krokodil komt steeds een heel klein beetje nader. Eèèèèèèn: Hap. AU! Bijt-ie in je bil.’

Lance Armstrong: goede doelen als morele cover-up

Zaterdagochtend, half elf. Kinderen uitbesteed aan opa en oma. Kopje koffie, oprolcroissantjes-uit-eigen-oven. En de column van Bert Wagendorp in de Volkskrant. Hoe kan het anders: over Lance. Vrij vertaald vraagt Wagendorp zich af waarom we collectief in een hysterische stuip van schuimbekkende verontwaardiging schieten nu we weten wat Armstrong allemaal heeft uitgevreten tussen 1998 en 2005. ‘Misschien omdat we de topsporter een voorbeeldfunctie toedichten – waarom hij zelf overigens nooit heeft gevraagd.’ (…) ‘Het kwaad in de gedaante van een simpele jongen die toevallig hard kon fietsen en ook nog een arrogante Amerikaan is.’

Ik heb Bert Wagendorp hoog zitten. Prima journalist, vriendelijk mens, prachtige schrijfsels. En dan ook nog wielerfanaat.

Ja, als ik met een man zou moeten trouwen, koos ik Bert.

Het doet me dan ook pijn te zeggen dat Wagendorp hier de plank volledig misslaat. Als iemand juist wél gevraagd heeft om die voorbeeldfunctie, is het Armstrong. Neem zijn twee (!) autobiografieën – bijna-religieuze lectuur, hagiografie van de bovenste plank. Als oud-kankerpatiënt heeft Lance de hemel van dichtbij aanschouwd. Hij weet wat Lijden is. Ja, hij is zo ongeveer uit de dood herrezen. Daarna heeft deze bewonderenswaardig krachtige mens het roer radicaal omgegooid. Heeft een stichting opgericht – geheel en al belangeloos natuurlijk – om overal ter wereld arme kankerpatiëntjes te helpen. Ook is hij Tour de Frances gaan winnen, als ambassadeur van een gezonde levensstijl. Om lotgenoten te motiveren en ons gewone mensen te bewijzen dat zoiets natuurlijk gewoon kan: kanker overleven en vervolgens zeven keer de Tour winnen, op water en brood. Op karakter.

Wie het waagde vraagtekens te plaatsen bij die plotselinge suprematie, bij die transformatie van prima eendagscoureur tot allesoverheersende superkampioen, kreeg de volle laag.

Handen af van The Boss. Want Hij heeft meer meegemaakt dan wij. En Hij doet goed werk.

Wielrennen is een katholieke sport. Dat is de afgelopen dagen maar weer eens gebleken. Stiekem stoute dingen doen en er vervolgens met een uitgestreken gezicht glashard over liegen, het is de volgelingen van de paus wel toevertrouwd. Zonder lastig schuldgevoel of knagend geweten bovendien, want even een uurtje biechten of – zoals vroeger – je zonden afkopen met een ‘aflaat’ en hopseflops, je bent weer helemaal het fatsoenlijke mannetje of vrouwtje.

Na het lezen van The Secret Race en de USADA-rapporten, ben ik er meer en meer van overtuigd. Die stichting, Livestrong, met die gele bandjes, die goede doelen, de gelden die ingezameld worden, de Ride for the Roses, maar ook de tweets waarin de grote @lancearmstrong dagelijks anonieme kankerpatiënten een hart onder de riem steekt: het is allemaal één grote doortrapte poging om kritiek bij voorbaat onmogelijk te maken. En om een knagend geweten te sussen.

Die stuitende morele superioriteit.

Dáárom zijn we verontwaardigd, Bert. Daarom zien we Lance nu zo graag op de brandstapel.

Ik hoop met heel mijn hart dat al die katholieken het eeuwenlang bij het verkeerde eind hebben gehad. En dat zondaars hun straf niet ontlopen. En Lance dus ook niet. Liefst hier en nu, maar voor mijn part straks in een of ander hels hiernamaals. Al was het maar voor de arme Tom Danielson die een paniekaanval kreeg toen hij een bloedtransfusie moest ondergaan. Voor Christian Vandevelde die simpelweg met ontslag bedreigd werd als hij zich niet met epo zou vol spuiten. Of voor David Zabriskie die zonder scrupules door Lance en Johan gepusht werd zich te drogeren – ondanks zijn trieste familiegeschiedenis.

En vooral voor al die arme kankerpatiënten, wereldwijd, die door Armstrong schaamteloos ingezet zijn als PR-instrument. Als morele dekmantel. .

Lance Armstrong een simpele, arrogante Amerikaanse jongen die toevallig hard kon fietsen? Was het maar waar.

Met 32 km/u de Cauberg op: kan dat?

Vorige week heb ik Tyler Hamiltons psychothriller The Secret Race in twee avonden verslonden. Ik heb geen moreel oordeel over het gedrag van Hamilton en zijn collega’s. Doping, het hoort erbij. Iedere renner voor zich moet beslissen of hij z’n leven wil riskeren voor een portie sportieve roem.

Het spektakel dat we wielrennen noemen, wordt er niet minder mooi van.

Veel schokkender vond ik het gebrek aan passie, de kille zakelijkheid, waarmee Hamilton en co hun vak beoefenden. Kort samengevat: ‘Toen won Lance de koninginnenrit, toen bracht hij het geel probleemloos naar Parijs, toen vierden we dat in een goed restaurant en toen vlogen we weer terug naar Girona’. Dat emotieloze, roboteske gedrag schijnt dan weer kenmerkend te zijn voor drugsgebruikers, zo vertelden mij mensen die het weten kunnen.

Voor mij was het nieuw.

Eigenlijk voel ik me daardoor als bewonderende supporter meer genept dan door het feit dat er überhaupt gedopeerd wordt.

Ze genieten verdorie niet eens van hun heldendom!

Zoiets.

Na het lezen van het boek ben ik nog wel met één belangrijke vraag blijven zitten. Een vraag die me nog urgenter toeschijnt, nu ik zondag 23 september live – in het echt dus – het WK in Valkenburg heb gevolgd. Wat ik daar zag, op de Cauberg, was fabelachtig.

Een paar beelden die me zijn bijgebleven: de katachtige versnelling van een kleine Duitse renner (Fröhlinger, Martens?) met in z’n wiel Bauke Mollema – tongetje uit de mond – op drie ronden voor het eind. Dat ging hard, vre-se-lijk hard. En dat na een slordige 225 kilometer.

Dan, op de laatste beklimming, Edvald Boasson Hagen. Deze reusachtige Germaanse god – met ‘n dikke 80 kilo bepaald geen klimgeit – sprong op indrukwekkende wijze weg bij toch niet misselijke (en veel kleinere, lichtere) renners als Valverde, Nibali en Voeckler.

En ja, er was ook nog ene Philippe Gilbert. De hele dag zat ‘ie verscholen in de meute, maar op de laatste klim kwam Phil voorbij suizen, akelig dicht tegen de dranghekken. Een klein, geblokt mannetje op een monsterverzet. Als ik niet al onder de indruk was van dit machtsvertoon, dan was ik het wel toen ik later die middag begreep dat Gilbert op het Grendelplein zijn ketting op het buitenblad had gegooid en de bijna 1.000 meter die hem scheidden van Thermae 2000 met een gemiddelde van 32 km/u (!) had overbrugd.

Petje af. Ongelooflijk. Wat een atleet. Buitengewoon.

Maar ook: kan dat wel? Na 265 kilometer?

Sinds ik de laatste pagina van The Secret Race heb omgeslagen, klinkt er een plagerig, sceptisch stemmetje in mijn hoofd. Het stemmetje vraagt me continu: waar ligt de grens van het menselijk kunnen? Zijn de prestaties van toprenners niet extraterrestrial? De zondag van het WK heb ik het stemmetje succesvol verdrongen, maar diezelfde avond kwam de scepticus-in-mij dubbel en dwars terug.

Met dezelfde vraag. Kan dat wel: na 265 kilometer koers de Cauberg oprijden met 32 km/u?Paniagua dus.

Vermoedelijk is daar geen zinnig antwoord op te geven. Maar ik heb zo m’n twijfels. En daar baal ik van, in toenemende mate.

En volgend jaar april? Dan sta ik er weer, op de Cauberg. Te genieten van het spektakel dat wielrennen heet. En denk ik: wat je allemaal slikt, spuit of transfuseert, Phil, dat moet je helemaal zelf weten.

Maar in godsnaam, naai ons niet als Lance, Tyler en hun partners in crime. Geniet ervan dat wij gewone stervelingen Philippe Gilbert bewonderen. Speel je rol met verve én met passie, buitenaardse superman. Het moet wel een beetje leuk blijven!

Twan Huys en Willem Holleeder

Jarenlang was het de running gag in Voetbal International. Het blad vroeg voetballers naar hun favoriete boek. Echt: 98 van de 100 geïnterviewden antwoordden: ‘De ontvoering van Heineken’ van Peter R. de Vries.

(John van Loen noemde ‘Ulysses’ van James Joyce; Willem van Hanegem het telefoonboek).

Kinderen en gekken: die vinden boeven en schietpistolen en achtervolgingsscènes spannend.

En voetballers dus.

Een beetje sneu misschien, maar ook wel weer grappig.

In elk geval totaal ongevaarlijk.

Deze week begreep ik dat Willem Holleeder binnenkort ondervraagd wordt in NOVA College Tour. Volgens presentator Twan Huys is Holleeder een ‘journalistiek aantrekkelijke gast’.

Interessanter dan de serieuze vraagtekens die je daarbij kunt plaatsen, is de vraag: past een beruchte crimineel wel in het format van College Tour? Op de site van het programma lees ik de volgende omschrijving: “Drie- tot negenhonderd studenten interviewen samen met presentator Twan Huys een grootheid uit binnen- of buitenland.”

(De cursivering is van mijn hand, sp)

Ik dacht bovendien altijd dat het programma jongeren ‘beroepsmatig’ moesten inspireren. Hoe? Door succesverhalen te laten horen van mensen die tot de absolute top behoren op hun vakgebied: advocaten, ondernemers, wetenschappers, kunstenaars, noem maar op.

Niet dus.

Dat Peter R. de Vries, RTL Boulevard en allerlei ranzige SBS-programma’s hufterige criminelen als stoere helden neerzetten, soit.

Ergens wel grappig. Niveau voetballers.

Maar dat Twan Huys een ordinaire boef de kans geeft tegenover honderden studenten zijn verhaal te doen, dat is niet om te lachen.

Dat is ronduit beschamend.

P.S. Een tip voor de redactie. Misschien is het leuk om voor volgend jaar Anders Breivik te vragen. Of Desi Bouterse. Of wacht, nog beter: Al-Assad (hopelijk knallen ze hem niet neer vlak voor Het Grote Moment).

Lombardije: overschatte koers

 

Foto: Courtesy Christian Gianti

Weinig waar ik zo’n gloeiende hekel aan heb als de herfst. Ja, aan de Ronde van Lombardije misschien. Overschatte koers. Vaak ellendig rotweer, even vaak een voorspelbare winnaar. Wiedes: slechts drie renners hebben half oktober nog zin om 260 kilometer te koersen. Kansje van drieëndertig een derde procent dus.

Nou nou nou. Spannend, hoor.

Ik hoor het Gary Lineker al zeggen: de Ronde van Lombardije? Dat is die koers van zeven uur over talloze saaie, lange beklimmingen, waar 90 procent van de renners vroegtijdig uitstapt en waar Damiano Cunego in de kopgroep zit.

Ergerniswekkend is ook het pseudo-intellectuele geneuzel over deze koers. Grote woorden als gepassioneerde liefde en mythische schoonheid vliegen je om de oren. Dezelfde woorden die aanhangers van het Italiaanse wielrennen altijd en overal bezigen. Net zo overdreven als de Italianen zelf. Aanstellers.

Neem dat kerkje, bovenop die heuvel. Met die klokken. De Madonna del Ghisallo heet het, als ik me niet vergis. Italië staat barstensvol met dat soort kapelletjes. Maar nee, dit kerkje, dat is speciaal. Sterker: hier moet een documentaire aan gewijd worden. Of beter nog: een hele film. Met stemmige muziek eronder. Veel gele, rode, bruine blaadjes in beeld. Een scooter. Een Fiat. En een espresso op een terrastafel waaraan een mevrouw met bontjas en zonnebril. En dan weer de herfstige gloed van de zon op de beboste heuvels. Saa-aai.

O ja, goed idee, doen we ook nog een beeld van de kleumende rondemisszus van Ivan Basso met veel lang blond haar en in ieniemieniejurkje. Mooi shot, en ook zo typisch Italiaans. Fantastissimo (zal wel niet kloppen, maar gelukkig zijn er genoeg lezers die mij kunnen corrigeren).

Godzijdank leeft Gino Bartali niet meer (God hebbe zijn ziel). Anders zou ook die iedere vijf minuten in beeld komen. Hopsakee, iedereen weer een winter lang in katzwijm.

Hoe langer ik erover nadenk, hoe meer ik me realiseer: ik heb een hekel aan Italië. Aan Italianen. En zeer zeker aan het Italiaanse wielrennen. Geef mij maar Spanjaarden, Belgen, Duitsers, ja, desnoods Fransen. Alles beter dan al die kleine gelikte coureurtjes met hun bakkebaardjes, hun gebaartjes, hun mama’s, hun onduidelijke ploegjes, hun achterover ge-gelde krulletjes en hun te witte sokjes op te bruine beentjes.

En dan dat gekoketteer met tradities. Ik zeg: vet saai dat ze daar in Lombardije al dik 100 jaar naar boven rijden naar een en hetzelfde kapelletje. Überhaupt vet saai dat ze in Italië alles al honderden jaren hetzelfde doen. Doe eens gek: gooi eens wat anders dan parmezaanse kaas over die spaghetti bolognese.

Zul je zien: straks is het Milaan-San Remo en gaan we weer met ons allen opgewonden zitten doen over de aartsbisschop van Milaan die op het plein voor de Dom (il Duomo, sorry) alle schijnheilige leden van de omertà-familia z’n zegen geeft. Och, wat heerlijk tradizionale. ‘Een Italiaan die Milaan-San Remo wint, dat is wat hoor. Dan ben je een hele signore’.

Jajajajaja. Geef mij maar de HEW Classics. Of de Ronde van Oman. Lekker geen traditie. Basta!

‘Ik ben vijf en voor Hinault’

foto: Courtesy Jack Claassen

Gepubliceerd op hetiskoers.nl:

Een zondagochtend in oktober, bijna 33 jaar geleden. Mijn vader reist af naar het WK in Valkenburg. Ik ben net vijf, en mag niet mee. Te gevaarlijk, zegt papa. Ik geloof hem.

Jan Raas wordt wereldkampioen, tot grote vreugde van de tienduizenden fans die zich op de Cauberg hebben verzameld. En tot grote vreugde van mijn vader, getuige zijn gebalde vuist en oerkreet als hij ’s avonds terugkeert.

De reden van die blijdschap? Niet zozeer de winst van Raas – met de stugge Zeeuw hebben wij thuis niet veel op. Nee, het is vooral de nederlaag van Bernard Hinault die mijn vader plezier doet. De Breton is ‘een arrogante kwast’. Daarbij: Hinault zit Joop Zoetemelk dwars in de Tour.

En Joop, daar hebben wij thuis wel wat mee.

‘Weet je wat het mooiste is?’, glundert mijn vader, die inmiddels met een pilsje op de bank zit. ‘Die  stomme Hinault kreeg voor mijn neus een lekke band. En niemand deed iets om hem te helpen.’

Mijn vader grinnikt. Zijn zoontje snikt zachtjes.

Deze zomer heb ik op Alpe d’Huez een Renault-petje gevangen, gegooid door zo’n karavaan-auto-meisje. Sindsdien ben ik voor Ienoo. We hebben zelfs een levensgroot spandoek voor ‘m gemaakt. En nu dit?

Boos roep ik: ‘Maar pap, waarom had je je bandenplakspullen niet bij je?’ en ren huilend naar mijn kamer. Met mijn Renault-petje over mijn ogen, kruip ik diep onder de dekens. Ik neem me voor om nooit, echt nooit meer, zonder bandenplaksetje naar de koers te gaan.

Tot op de dag van vandaag houd ik me daar aan.

Ook deze zondag ben ik er weer bij, op de Cauberg. Mét mijn vader, een plakkertje, een tube lijm en drie bandenlichters.

Maar als ik eerlijk ben: ik zou niet weten wiens band ik zou willen plakken.

En dat vind ik best erg.

De Raboploeg: alles in dienst van Het Doel

Foto: Courtesy Christian Gianti

Gepubliceerd op hetiskoers.nl:

10 November 2014. Het is koud, waterkoud, deze vroege zondagochtend. De ijzige mist hangt in flarden boven de velden. Uit de natte nevel duikt hier en daar een eenzame boerderij op. Een vermoeide hond blaft. Het geluid draagt niet ver. De Achterhoek is leeg en verlaten. En daar zal vandaag weinig verandering in komen.

Het is geen weer voor uitstapjes.

Dan, plots, zacht geratel. Een ketting, een derailleur. Gonzend geluid. Keiharde bandjes op glad asfalt. Een regelmatige ademhaling komt verrassend snel naderbij. Een lange, graatmagere kerel fietst voorbij. Oranjeshirt, lange mouwen, lange koersbroek. Een snelle groet, twee ademwolkjes, en weg is ‘ie.

Inderdaad: Robert Gesink. Lokale held. Kopman van de Rabobank. Paradepaardje.

Gesink grijpt z’n kans, vandaag. Weinig verkeer, heerlijk stukje fietsen. Vanuit Aalten langs de IJssel kronkelend omhoog naar Zutphen, dan de Veluwe op, naar Apeldoorn, Wageningen, en vervolgens via de Posbank en de Duitse bossen terug naar vrouw en kinderen. In totaal zo’n 220 kilometer. Een stevige rit, zoveel is zeker. Maar Robert is niet bang. Hij is deze morgen vol zelfvertrouwen op de fiets gestapt. Hij weet het, hij voelt het. Al enkele dagen, enkele weken misschien. Het is onmiskenbaar.

Hij is in topvorm.

Een heerlijk gevoel.

De voorbereiding begon in maart. In Parijs. Of beter: in zo’n grauw voorstadje. Zeven dagen in het zadel. Koersen naar de zon, Parijs-Nice. De perfécte training, ieder jaar weer. Avond aan avond met de ploegleiding de resultaten bekijken. Gemiddeld wattage? Tegen de 320. Keurig, voor de eerste afspraak. Hartslag zo laag mogelijk houden, luidde het devies. Hoog beenritme. Niets overhaasten. Weg, ver weg  blijven van het omslagpunt, dat sowieso. Pas in april, in de Amstel en de Waalse klassiekers, mocht hij er een schepje bovenop doen. Een stap maken, noemt de ploegleiding dat. Weer eens ouderwets verzuren, wennen aan de pijn.

Stap voor stap. Geleidelijk. Voorzichtig brengen. Dat is de aanpak van de ploeg. En Robert voelt zich daar goed bij.

Alles in dienst van Het Doel.

Vandaag dus op het programma: 220 kilometer. Dat is een uurtje of zes koersen. In z’n uppie. Tijd genoeg om na te denken. Om het seizoen te evalueren. Begin april was daar even de angst. Hij rilt weer bij de gedachte. Pijn in de knie. O jee, het schema, de planning! Wat nu? Maar de paniek bleek onnodig: in april toonde hij alweer z’n klasse. De Amstel reed hij met speels gemak uit. Fraaie top-20 plek. Doelstelling ‘de finale rijden’ gehaald. Daarna volgde het Ardense tweeluik. Het gevoel was goed, de benen bleken super. Ook de cijfers toonden aan dat zijn lichaam met de week beter tegen de onmenselijke inspanningen bestand bleek.

Alleen de klasseringen vielen wat tegen. 97e op de Muur van Huy, 53e in Ans.

Uitslagen zeggen weinig, hield de ploegleiding hem voor. Focus op het goede gevoel. Stap voor stap. Geleidelijk. Denk aan Het Doel.

En dat doel kwam dichterbij. Zeker na de periode van uitzonderlijk harde training in juni en juli. Op het NK in Valkenburg, alweer voor het vierde jaar op rij gewonnen door Niki Terpstra (‘Domme Niki, vliegt er altijd als een kip zonder kop in’, zei de ploegleiding altijd), stapte hij drie ronden voor het eind af. Moe, maar uiterst voldaan. De test die hij dezelfde week nog aflegde op het hoofdkantoor van de ploeg, bevestigde dat gevoel.

Maximaal vermogen 520 watt. Had nog nooit iemand van de ploeg weggetrapt.

Vol vertrouwen toog hij naar de start van de Tour.

Tijdens die ronde bleek hoezeer het trainingsschema in de loop der jaren verfijnd was en toegespitst op zijn frêle, breekbare lijf. Drie weken van knoertharde koers volgden, maar hij finishte zo fris als een hoentje op de Champs-Elysées. Zonder ook maar één moment noemenswaardig in het rood te rijden, eindigde hij op een keurige 18e plek. Vooral het dagelijkse vlotte herstel stemde hem hoopvol. Waar anderen in de eerste week de stenen uit de straat reden en wonnen, maar daarna zienderogen verzwakten, daar presteerde Robert drie weken lang op constant niveau.

Dat is je grote kracht Robert, zei de ploegleiding altijd. Met het hoofd koersen, op reserves rijden, geen tien, geen drie, maar een zeventje. Dag in, dag uit.

Alles in dienst van Het Doel.

‘Mij krijgen ze niet gek’, zei hij altijd als de pers kritische vragen stelde. ‘Ik weet waar ik naartoe werk. Een heel jaar pieken, dat gaat tegenwoordig niet meer.’

Het is inmiddels middag. De zon is doorgebroken, maar de kou blijft. Hij sprint de Posbank op, en verorbert vervolgens in de nabijgelegen uitspanning een reusachtige pannenkoek met spek en een warme chocomelk. Dan vervolgt hij zijn weg, terug naar Aalten.

Zijn gedachten gaan terug naar de maand september, de maand waarin hij traditiegetrouw de puntjes op de i zet. Eerst was daar de Vuelta, die hij niet reed om te winnen maar om hardheid op te doen. Twee etappes had hij aangekruist. Daarin ging hij zich testen. Voluit koersen tegen het omslagpunt aan. Niet erover, dat hoefde nog niet. Maar door volle bak de Angliru en de Cuitu Negru op te knallen, bewees hij zijn getrainde lichaam de allerlaatste perfecte dienst.

Niets stond de absolute topvorm nu nog in de weg.

De beloning volgde op het WK in München, waar hij op een loodzwaar parcours als negende finishte, en in Lombardije waar hij een ‘fantastisch gevoel’ overhield aan z’n derde plek in het Noord-Italiaanse beestenweer. ‘De pedalen niet gevoeld vandaag’, twitterde hij ’s avonds opgetogen.

De ploegleiding complimenteerde hem. Een nieuw tweejarig contract lag op zijn handtekening te wachten.

En nu, nu fietst hij hier door het kale Duitse niemandsland. Moederziel alleen, door de snerpende herfstkou. Dik 200 kilometer staat er op de teller, in minder dan 6 uur. Gemiddelde van 35 per uur. Fluitend, twee vingers in de neus. Het Doel is bereikt. Eenmaal thuis zet hij de fiets in de schuur, loopt de warme woonkeuken in en kust zijn vrouw. ‘Hoe ging het schat?’, vraagt ze. ‘Fantastisch’, zegt hij glunderend. ‘Geen centje pijn. Beter dan ik had durven dromen.’ ‘Je hebt er anders hard genoeg voor gewerkt’, glimlacht ze, en schuift een bord dampende boerenkool met worst onder z’n neus. Gretig valt hij aan.

Hij kijkt nu al uit naar volgend seizoen.